vrijdag 8 augustus 2014

Het juweel zit in de lotus - Daniël Ost

Het juweel zit in de lotus
Daniël Ost


In 1888 schreef Frederik van Eeden ‘Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in 't licht.’ Deze gevoelens gaan ook op voor Daniël Ost , de bekendste bloembinder in België met een internationaal renommee.
Zoals een dichter woorden gebruikt en een musicus klanken, zo verwerkt Ost bloemen en planten tot kunststukken waarmee hij een wereld van emoties oproept. In zijn thuisstad Sint-Niklaas ligt zijn bloemenzaak, waar hij bloemsculpturen en tuinen ontwerpt. De ene keer werkt hij kleinschalig met een beperkte groep mensen, de andere keer zijn het gigantische projecten met honderden medewerkers,
 Osts palmares is indrukwekkend. Hij werd door het Belgisch koningshuis uitgekozen om  de 60/40 viering van koning Boudewijn van bloemversieringen te voorzien,  hij verzorgde de decors voor modepresentaties van de duurste couturiers, voor de uitreiking van de Oscars en ook voor het tempelcomplex Ninnaji in Kyoto. Op de Chelsea Flower Show kaapte hij tweemaal de eerste prijs weg. In Japan werd te zijner ere de Daniël Ost Japan Floral Society gesticht, onder hoge bescherming van de Japanse keizerlijke familie. In de Japanse tuin in Hasselt creëerde hij een bijzonder chrysantenfestival en in 2013 liet hij tijdens  het festival Tomorrowland op het water 4000 lelies openbloeien.
De witte lotus is Osts lievelingsbloem.  ‘Met de lotus kan ik om praktische redenen alleen in Japan of Thailand werken. De plant moet met een soort fietspomp langs de stengel met water volgespoten worden en zelfs dan heeft ze een beperkte houdbaarheid, De lotus groeit in de modder en symboliseert  purificatie. Bovendien zijn de planten het mooiste ‘s nachts , als ze zich terug naar het water keren.  Een lotus is een ballerina met dezelfde elegantie. Een waterlelie is statischer, die rust. Op het moment dat de bladeren zich ontvouwen, plooien ze zich naar elkaar toe en zoiets kunnen meemaken, dat is uniek.’, vertelt Ost.  Ter nagedachtenis van de slachtoffers van Fukushima was hij uitgenodigd op een meer  waar hij in een sloep tussen miljoenen lotussen mocht varen,  “Het was een onvergetelijke ervaring maar tegelijk gaan  desastreuze toestanden door je hoofd, het contrast tussen zoveel poëzie en schoonheid en de harde realiteit van de kernramp anderzijds.” Ost heeft in Japan een uitzonderlijke status bereikt. Hij leerde er leden van de keizerlijke familie kennen die hem ondersteunen waardoor hij in gebouwen kan werken waar zelfs de Japanners niet binnen mogen.
De bloemstukken van Ost bestrijken een zeer ruim palet,  Aangezien hij een kind is uit het land van Breughel en Rubens maakt hij graag barokke creaties terwijl het minimalisme in de Japanse bloemsierkunst er de tegenpool van is .’Mijn naam in Japan is De Brug’, zegt Ost, ‘omdat ik met mijn kennis en werkwijze een verbinding vorm tussen het Oosten en het Westen’, Ost pendelt letterlijk en figuurlijk tussen deze twee werelden maar zijn hart ligt in het land van de ikebana  waar een groot respect bestaat voor de 17de-eeuwse bloemschilders uit de Lage Landen. ‘Ik ervaar er meer respect en dedicatie voor de dingen die ze doen. Wij vinden alles zo vanzelfsprekend en hechten minder waarde  aan vakmanschap.’
Terwijl in onze wereld een gemengd en overdadig veldboeket hoog gewaardeerd wordt, appreciëren zij datgene wat tot in het minimalistische uitgepuurd is.
Osts lievelingsschilder is Mark Rothko omdat die de essentie van het schilderen weergeeft in de kleuren en de vorm. Zoals een schilder pigment gebruikt of een beeldhouwer steen, zo zijn bloemen de bestanddelen voor de bloembinder.   Soms is Ost zozeer onder de indruk van Rothko’s werk dat hij ermee aan de slag gaat en binnen eenzelfde kleurenpalet bloemen en planten uitkiest. Ook Paul Klee bewondert hij,  In Klees schilderijen van tuinen vind je datzelfde uitpuren dat in de Japanse kunst terugkomt.
Ost legt er de nadruk op dat de bloemstillevens uit de Gouden Eeuw geen reële bloemstukken waren. Men bezat de techniek niet  om de botanische diversiteit samen te brengen noch om met bloemen uit  verschillende seizoenen te werken. Het zijn fantasiestukken terwijl wij nu de mogelijkheid hebben om bloemen uit Nieuw-Zeeland te laten overvliegen en om het even welke samenstellingen te maken. Wanneer Ost een Bourgondisch boeket wil maken , zit de uitdaging vooral in de materiaalkeuze . Soms is het  een ware kruistocht en wordt voor een boeket 600 km gereden, eer het juiste materiaal verzameld is en de precieze kleurstelling getroffen.
‘De bloemschilderingen van de Fluwelen Breughel kan ik nu beter maken dan hij in die tijd.’,aldus Ost.  ‘Als ik die eenmaal gezien heb, weet ik hoe ze in elkaar zitten. Als bloembinder kan ik die overtreffen. Niet technisch want ik kan niet tekenen maar ik kan ze beter schikken en heb nu mogelijkheden die Breughel niet had.’
Ost koestert enkele werken van de Japanse kunstenaar Hiroshige maar verder wil hij zich niet beroepen op werken over botanische kunst omdat hij zijn geest zuiver wil houden. Hij wil zijn eigen weg gaan zonder te veel externe invloeden.
 Ost werkt graag seizoensgebonden met een voorkeur voor de herfst omdat de melancholie van het najaar , de kleuren en de stemminggevoeligheid hem beter liggen dan de warmte en het licht van de zomer. Van zijn leermeester heeft hij geleerd dat één bloem soms meer kan zeggen dan tienduizend bloemen.
.


Info : wie bloemencreaties van  Daniël Ost wil zien of kopen kan terecht in twee winkels in België: de oorspronkelijke winkel in Sint-Niklaas, de geboortestad van de kunstenaar, geopend in 1985, en een prachtig gerenoveerd art-nouveaupand in de Koningsstraat in Brussel, geopend in 2005.


Bruni Mortier

donderdag 5 juni 2014

Michel Buylen, geen martelaar van het marterhaar

Michel Buylen, geen martelaar van het marterhaar

   


Kunstschilder Michel Buylen heeft een academische titel in de Franse taal- en letterkunde maar als schilder is hij een autodidact. Hoewel hij zichzelf omschrijft als een ‘wilde man’ , met lange haren en een voorliefde voor Jimi Hendrix, maakt hij verfijnde schilderijen die uitmunten door tederheid en  zin voor precisie.
Buylen werkt  bij voorkeur op klein formaat. Een portret (29 x 9 cm) , een zeelandschap (12 x 18 cm) of de afbeelding van eendje (8 x 13 cm) bewijzen hoe zijn meesterhand er telkens in  slaagt op een minimale ruimte een groots beeld te geven van de realiteit zoals hij die ervaart. Bij tentoonstellingen valt op hoezeer deze kleine werken door hun bijzondere zeggingskracht toch veel plaats innemen. Op  de Art Brussels tentoonstelling in 2013 werden ze op een 18de-eeuwse manier in een kabinet gepresenteerd zodat het een imposant geheel werd van subtiele individuele deeltjes.
In Galerie De Zwarte Panter  in Antwerpen worden Buylens werken meestal thematisch opgehangen in trossen van twee of drie, volgens poëtische associaties. Een afbeelding  van een vogeltje kan in de definitieve accrochage gepresenteerd worden naast een schilderij van een zwemster omdat er een overeenkomst is in de kleuren, terwijl de ranke lijn van een  lelie harmonieert met het horizontale van een rustende dame. Buylen voelde zich aanvankelijk niet aangetrokken tot het schilderen van bloemen maar op vraag van een Parijse  verzamelaarster maakt hij nu elk jaar een bloemschilderij en die verzameling heeft intussen  indrukwekkende proporties aangenomen. Dank zij zijn studie van de grootmeesters uit de Japanse schilderkunst slaagt hij erin bloemen telkens op een andere manier te zien. Een lelie kan geassocieerd worden met maagdelijkheid en de grote knop van de bloemen houdt een erotische belofte in , in combinatie met de waterdruppels die er een vleug van erotiek aan verlenen. Van het bloemscherm van een hortensia  schildert hij een veelheid ragfijne blaadjes met elk een aparte structuur waardoor ze aan ikebana doen denken. Buylen wil geen symbolische  of allegorische interpretatie aan zijn werken geven  maar houdt wel van het connotatieve. ‘Ik bezing een geconnoteerde realiteit waarvan het betekenisveld niet strikt genomen het referentiële is. Als een onderwerp mij aanstaat,  is het waarschijnlijk connotatief beladen.’, aldus de schilder.  Buylen noemt zich bewust geen hyperrealist of fotorealist omdat hij nooit de foto stricto sensu als het onderwerp beschouwt. Hij herkent zich veeleer in de woorden van professor Willem Elias die zijn werk neo-symbolistisch noemt. Zijn stijl heeft niets met hyperrealisme te maken, noch historisch noch stilistisch omdat van de waarneming  en niet van de foto vertrokken wordt. De fotografie is een hulpwetenschap. De aanleiding is steeds een denkproces waarin de wereld visueel doordacht wordt.  Bij deze zoektocht naar de mens en zijn omgeving kan een object of situatie niet betekenisloos blijven omdat zowel aan- als afwezigheid symboliserend werken.

De verfijnde wereld van de Japanse kunst is nooit ver af. Aan de muren van zijn woonkamer hangen zeezichten , die mij geïnspireerd  lijken op Hokusei.  Buylen geeft toe dat alle landschappen die hij schildert, ‘een Hokusei-filter passeren’. Wat hem aantrekt in de Japanse kunst is het niet-verhalende karakter van de zen schilderkunst die het vlietende leven wil weergeven. ‘Wij westerlingen hebben geen verhaal meer. We zijn god en de grote ideologieën kwijt. Historische gebeurtenissen worden door televisie , webcams e.d.  behandeld dus het onderwerpenveld wordt almaar kleiner. Ik heb me goed gedocumenteerd over Hokusei maar ook over ikebana. Omdat ook mijn werk niet-verhalend is, heb ik mijn grote voorbeeld gevonden in die zen-geïnspireerde landschappen. ‘, aldus Buylen.

Zijn marines zijn een plek van bevrijding en verbeelding. Over de breedte van het weliswaar kleine paneel komt een golf aanruisen die aan een tsunami lijkt vooraf te gaan. Het wateroppervlak is onheilspellend stil, de kracht van het water is zichtbaar in de groene kam en de rimpeling van de golf.  Met zijn penseel  stopt de schilder de beweging van die golf en projecteert hij er een imaginaire wereld in. In  ‘La Vaguelette et l’Horizon surpris’ zien we een horizon die zich in de beweging van de golf opbouwt.  In de golf zelf ontstaat een oneindig landschap en de zonnestraal die daar plots opvalt, is imaginair. In de zeegroene watermassa van ‘Le Vitrail algué’ leeft een microkosmos van wieren en andere organismen.  Het is uitnodigend om in deze tuin van de zee binnen te stappen. Zee en water worden vaak met het vrouwelijke geassocieerd zoals bij  Ondine, de badende vrouw of het zwemmend meisje met ver uitgestrekte armen die als een Ophelia op het water drijft.

Fotoshop is mijn schetsboek
‘Redder aan zee’ - een portret van een naakte vrouw aan de rand van het water -  is geen afbeelding van de realiteit maar een constructie. De naakte vrouw poseerde in het schildersatelier, heeft zich  onder de douche nat gemaakt en achter haar lichaam vol parelende druppels projecteert de kunstenaar het zeelandschap. Die zee moet kloppen met het licht dat op het naakt valt tot het volledig naturel is. Fotoshop noemt Michel Buylen ‘een geschenk van de goden’.  Toen die techniek nog niet bestond, verknipte en plakte hij  foto’s tot het collages of maquettes waren.  Fotoshop biedt nu de vrijheid om het onderwerp naar het schilderij toe te leiden en picturaal iets op te bouwen.

In zijn atelier ligt een paneel klaar waarop het volgende schilderij zal ontstaan.  Het paneel heeft twee lagen inlijmingen  gehad en zeven lagen gesso. Daarop wordt met de hand  een reflector aangebracht. Op de grondlaag –Buylen gebruikt de doodverftechniek van Vermeer – zal  een beeld geschilderd worden dat volledig bestaat uit een afgeleide van dezelfde kleur. Buylen tekent zo snel mogelijk met een wit potlood een eenvoudige aanzet, snel maar juist. Soms doorprikt hij zelfs een foto om te weten waar wat moet komen. Ditmaal is het onderwerp een naakte vrouw met roze handdoek. Buylen vertrekt van verschillende foto’s waarvan door fotoshop spiegelbeelden worden gemaakt. Ook de handspiegel komt erbij te pas om de realiteit op een andere manier te zien en om de fouten door de spiegeling te herkennen. ‘God is in the detail’, zegt hij. Alles moet kloppen.

Buylen is een veelgevraagd schilder voor het maken van portretten. Daarbij gaat het hem erom de persoon in kwestie af te beelden in al zijn menselijkheid en niet in zijn functie. Het portret dat hij maakte van een bekend bankier toont de man niet  als bankdirecteur maar vooral als mens. Door een detail in het werk als een slecht gestreken kraagje , typeert hij hem als een man die niet thuis woont maar in hotels waar de hemden machinaal gestreken worden. Via die kraag kan hij zijn kwetsbaarheid tonen ondanks de Franse grandeur die de man in zich draagt. ‘In die directeur huist poëzie maar je moet die zoeken en vinden.’ De Franse dichter Baudelaire heeft gezegd: ‘ Ja wij zijn poëtisch met onze hoge hoeden’.
Buylens werk is bipolair: enerzijds  is het een oeuvre dat zich op de mens focust met portretten en naakten. Zijn voorkeur gaat uit naar deze thema’s omdat zij universeel en waarachtig zijn.  Naakt poseren vergt een groot humanistisch vertrouwen vanwege het model naar de schilder  toe. De weg die afgelegd wordt tussen model en kunstenaar boeit hem enorm. Samen maken zij het werk. ‘Een meisje van zestien schilderen,   is het moeilijkste dat er bestaat. Het gezicht is nog niet gesmeed door het karakter en het lichaam is als een bloem die staat te prijken in zijn pracht en glorie. Ik houd niet van de esthetiek van het lelijke. Daarom is Breughel voor mij een belangrijker schilder dan Bosch hoewel beide genieën zijn.’, beweert Buylen.  Het is voor hem zeer moeilijk om het schone te schilderen en daar nog iets aan toe te voegen.  ‘In de geschiedenis van de mensheid zijn het die werken die de allergrootste ooit zijn: de Eva van Van Eyck, de Venus van Boticelli , de vrouwen van Khnopff, dit zijn de allermoeilijkste opdrachten voor een schilder.’
Anderzijds is het een persoonlijke spiegel die de schilder ons van de natuur voorhoudt. Zijn oog koos net dat ene detail uit de zeerimpeling of uit het lichaam van een vrouw en zijn schildershand vergroot het voor ons uit tot een nieuw poëtisch gegeven. ‘Uit alle vensters zie ik alleen oneindigheid’, schreef Baudelaire. Die oneindigheid is terug te vinden in de verre horizonten van Buylens werken waar mens en natuur een symbiotisch geheel vormen.



Cornelis Le Mair

Gesprek met Cornelis Le Mair



 ‘My home is my castle’. In het geval van kunstenaar Cornelis le Mair is dat geen kasteel maar een geclasseerde hoeve in het agrarisch gebied aan de rand van Eindhoven waar hij zijn home heeft omgebouwd tot een decor uit een Oosters sprookje . Boeddhabeelden verwelkomen de bezoeker en een hindoeïstische Ganesh met het olifantenhoofd staat in de inkomhal.

Kunt u iets vertellen over de historiek van dit merkwaardige huis?
Uit het fundament, de bouwstijl en het gebinte kan men afleiden dat de boerderij dateert uit ca. 1860. Het is een typisch Brabantse langgevelboerderij. Veertig jaar geleden heb ik dit pand betrokken. Omdat ik van het buitenleven houd en wat kleinvee wilde in de tuin, was het voor mij ideaal.

Hebt u grote verbouwingen gedaan?
Het gebouw is een stedelijk monument en ik mag geen ingrijpende veranderingen doen. Toch heb ik het authentieke en rustieke karakter willen benadrukken. Op mijn vele reizen heb ik souvenirs verzameld die hier een onderkomen vinden. Maar ik heb alle comfort met een gerieflijke keuken, een badkamer enz.

De stijl is eclectisch hoewel de Oosterse elementen domineren. Ik voel me hier in een Tibetaanse tempel, maar ik zie ook een collectie violen, Tiffany-lampen en veel glaswerk. Hoe komt u tot deze combinatie?
Ik heb geen gerichte stijl in mijn hoofd maar wat past in mijn smaak, past ook in mijn huis. Omdat ik gek ben op het Oosten haal ik veel materiaal uit landen als Thailand, Indonesië of Nepal. De wanden en de zolderingen zijn bekleed met stoffen uit India. Ze bestaan uit een patchwork van sari-randen in goud en  warme kleuren. De creativiteit van die mensen komt tot uiting in hun kleurkeuze, hun stoffen, hun keramiek, hun beelden. Het is niet het spirituele dat mij in het Oosten aantrekt maar het artistieke. De violen heb ik gekocht van zigeuners die in geldnood zaten en ik gebruik die objecten ook in mijn schilderkunst. De Tiffany-lampen harmoniëren qua kleur met de wandbekleding, de tapijten en de meubels. Er zijn er met geometrische patronen maar ook met dieren- en bloemdessins afgebeeld in allerlei vormen en maten.

Je verzamelwoede lijkt wel onbegrensd. Koop je functioneel en leg je jezelf ook beperkingen op?
Mijn Venetiaans glaswerk koop ik soms op veilingen. Ik heb een grote voorliefde voor Murano glaswerk maar ook voor vazen uit cloisonné. In India koop ik miniaturen en ik verzamel ook Japanse prenten. Ik koop wat ik mooi vind en zie achteraf wel of ik het als object kan gebruiken in mijn schilderijen. Veel kan ik niet meer bijkopen want het staat al helemaal vol. Daarom ben ik nu selectiever in mijn aankopen en de dingen die ik van minder allure vind, geef ik weg.

Veel van je meubels heb je zelf gemaakt. Heb je een opleiding als meubelmaker gevolgd?
Helemaal niet. Je mag me gerust een knutselaar noemen. Maar ik heb wel wat vormgevoel en laat me leiden door mijn intuïtie. Beschilderde kasten in rococostijl, het onderstel voor een marmeren tafel, zelfs muziekinstrumenten bouw ik zelf. Als je weet hoe iets werkt, wijst het zichzelf. Wat ik vooral wil doen is een instrument  maken dat een sieraad is voor het vertrek. Op de binnenkant van het meubel schilder ik een tafereel dat een eigen verhaal vertelt.


Glas en keramiek fascineren je blijkbaar ook? Zijn de ramen van je atelier authentieke glasramen?
Mijn buurman is een glazenier. Hij heeft het glas-in-lood gemaakt en ik heb er de medaillons in geschilderd. De kleuren en de vormen zijn aangepast aan het interieur. In de badkamer zie je vooral İznik-keramiek. Het zijn beschilderde tegels zoals je die in veel Osmaanse gebouwen aantreft. De porseleinen wastafel met blauwe bloemmotieven komt van de rommelmarkt aan de Porte de Clignancourt in Parijs.


De ruimte die als atelier dienst doet is nauwelijks als dusdanig te herkennen. Ik zie alleen een ezel en enkele verftubes. Ik waan me eerder in een stemmige huiskamer.
Ik heb niet veel nodig om te kunnen schilderen Wat olieverf, acrylverf voor de onderschildering en enkele penselen volstaan voor mij. Normaal staan hier ook mijn muziekinstrumenten maar die zijn nu op de tentoonstelling in Zeist. Mijn klavecimbel en spinet zijn fantastische meubelstukken. Ik ben geen klavecinist maar ik heb jarenlang muziek gemaakt. Ik was een troubadour die zijn eigen ballades speelde maar ik trad ook op met groepjes die folkmuziek speelden en met bekende muzikanten als Ferre Grignard en Wannes van de Velde.

Mag ik je atelier een rariteitenkabinet noemen?
Dat is het zeker. Omdat ik van de natuur houd wil ik die ook hier rond mij hebben. Bijvoorbeeld in de vorm van opgezette dieren als fazanten of  een felroze  flamingo. In Antwerpen kocht ik een glazen stolp met een mensenfoetus op sterk water. Alles heeft hier zijn plaats zoals in het rariteitenkabinet van tsaar Peter de Grote. Maar ik heb meer dan één atelier. De grote schilderijen maak ik in een vertrek waar ik ook mijn meubels in elkaar steek en waar ruimte is voor werken van 3m x 3m en voor mijn maquettes. Daar vervaardigde ik ook uit karton en modelleerpasta een maquette van een fantasie-paleis op een grondvlak van 250 cm diameter. Het is een combinatie van allerlei stijlelementen uit de Italiaanse, Russische, Oosterse en Chinese kunst. Ik noemde dit gebouw ‘Vanitas’ en maakte er een sprookjesachtig geheel van met veel wonderlijke details.

Naar welk van je vele bezigheden gaat je voorkeur uit?
Wat mij het meest fascineert is de afwisseling. Ik wil niet met één discipline bezig zijn maar nu eens een stilleven maken met tinnen borden en glaswerk, dan een portret of een landschap, een tafel, een klok, een maquette of een muziekinstrument. Deze variatie maakt mijn kunstenaarschap bijzonder boeiend.




dinsdag 26 november 2013

Horror, romantiek en zwarte gal in een artistieke cocktail Teken-en schilderwerk van Stijn Felix





Toen enkele maanden geleden een Humo-recensent de nieuwe CD met muziek van Jan Swerts besprak, wijdde hij  lovende woorden aan de schilderijen van Stijn Felix die op de hoes en in het bijhorende boekje afgebeeld staan.  ‘Anatomie van de melancholie’ is niet alleen de poëtische en melodische titel van de CD maar ook het thema waarop schilder-illustrator Stijn Felix zich kon uitleven. Iedere songtitel verwijst naar het werk van een kunstenaar en iedere afbeelding is een portret dat die melancholie en Sehnsucht ademt. Zowel in de muziek als in de schilderijen gaat het om sfeerschepping en het oproepen van een stemming . Hoewel Stijn Felix geen neerslachtig iemand is, voelt hij zich toch sterk aangetrokken tot het dramatische en het weemoedige. De schilderijen voor ‘Anatomie van de melancholie’ zijn geïnspireerd op het verschijnsel ‘zwarte gal’. Volgens de oude Grieken werd de gemoedstoestand van mensen bepaald door het evenwicht tussen vier lichaamssappen waaronder zwarte gal. Een teveel aan zwarte gal werd verondersteld neerslachtigheid, introversie en depressies te veroorzaken, vandaar de term ‘zwartgalligheid’. Die zwarte gal is zichtbaar aanwezig in alle schilderijen: de zwarte kleur contrasteert telkens met het felle chirurgische groen, de zwarte gal wordt volgens de oude methoden met bloedzuigers of aderlatingen afgetapt, een uit een rots gehouwen ziekenhuis dobbert in een zwarte zee. De portretten en settings zijn realistisch geschilderd met sterke, strakke penseeltrekken. Felix werkte op klein formaat (20 x 40 cm) en plaatste zuivere, krachtige vlakken als blikvanger.
Omdat hij jarenlang hoofdzakelijk als illustrator en striptekenaar werkte, is het schilderen met olieverf voor hem een zoektocht die nieuwe mogelijkheden schept. Felix combineert graag verschillende technieken en experimenteert met de digitale mogelijkheden. ‘De wraak van Hopfrgog’ is een aquarel die hij maakte voor een theaterproductie naar de kortverhalen van E.A. Poe, een auteur met een grote dosis zwaarmoedigheid en morbiditeit. De aquarel is geschilderd in grijstinten met als enige kleuraccent het rode sjaaltje om de hals van de schrijver. Het zeelandschap, de reling, de eenzame vogel en de barse blik van het personage geven het sfeerbeeld een ietwat lugubere aanblik . Het werk doet denken aan de Oostendse schilder Leon Spilliaert, bekend om zijn ongebruikelijke lichtinval en bijna vervormend perspectief. ‘Het is mede dank zij Spilliaert dat ik de aquarelkunst ben gaan appreciëren’, aldus Felix. ‘De doorsnee felle aquarellen zijn mij te klassiek. Ik houd van de subtiele schakeringen, van kleuren die je in veel lagen over elkaar kan leggen terwijl het geheel toch transparant blijft.’ Tegen de regels van de pure aquarel in, gebruikt Felix graag zwart en wit in de aquarel.  Met Oost-Indische inkt kunnen diepere tonen verkregen worden en het dekwit zorgt voor contrast. Felix schildert hiervoor niet op aquarelpapier maar op gravurepapier dat een andere zuigkracht heeft.
De huidige computermogelijkheden zijn volgens hem niet minderwaardig aan de handmatige technieken. Soms kleurt Felix een potloodtekening digitaal in omdat zo de schetslijn  niet overschilderd wordt. De computer is ook handig in de ontwerpfase om de verschillende beeldelementen te verschuiven op zoek naar de juiste compositie. Een nadeel van het digitale proces is dat het eindresultaat -een digitale print- toch wat tactiele kwaliteit mist. Daarom werkt hij de laatste tijd graag met ambachtelijke druktechnieken. Zijn recentste affiches zijn met de hand getekend maar op de pc bewerkt en samengesteld. Ze worden in drie kleuren gezeefdrukt zodat het een mooie versmelting wordt van digitaal en handmatig.
'Voor CinéMar - een Oostends filmfestival met de focus op niet-westerse cinema - ontwierp hij de affiche en ook voor een theaterbewerking van de Decamerone. Voor die afbeelding werd alleen zwart, wit en rood gebruikt en inhoudelijk herkennen we er de elementen pest,  dood en  erotiek in. De affiches uit de Art Deco-periode spreken hem aan omdat de techniek toen nog beperkt was en er met weinig kleuren werd gewerkt. Het boeit hem om terug te keren naar de basis van bepaalde technieken en alles op te lossen binnen die beperkingen met als eindresultaat een krachtig beeld. Zo wordt hij ook geïnspireerd door illustratoren uit het begin van de 20ste eeuw. Het Duits satirisch weekblad Simplicissimus dat verscheen rond de Eerste Wereldoorlog bracht een heel inspirerende tekenstijl en in het begin een militair-kritische houding. Die oude tekenstijl combineert Felix  graag met hedendaagse thema’s.
In de komende tijd wil hij zich graag nog meer toeleggen op portret en karikatuur. Dat overdrijven van kenmerkende trekken kan subtiel gebeuren, zoals bij  Lucian Freud die weliswaar realistisch werkt maar toch ook met een toets van het karikaturale. ‘Bij realistisch tekenen is het nodig om er een draai aan te geven zodat het geen letterlijk kopiëren wordt. Ik tast graag die schemerzone af, zoek in een gezicht uit hoe ver ik kan gaan en dan is het leuk om heel even over de grens te gaan. Diezelfde liefde voor het groteske vind je ook bij Ensor, die een van mijn inspiratiebronnen is, naast Chaim Soutine met zijn met zijn brute toets en dramatische vervorming van de realiteit.
In 2010 won Stijn Felix de Knack Focus Stripstrijd met de strip Tunguska in een samenwerking met scenarist Dieter Rogiers. Tunguska was een  filmisch beeldverhaal in krachtige krijttekeningen over een mysterieuze ontploffing in Rusland anno 1908. De vier pagina’s beeldverhaal die zij instuurden behaalden een gouden medaille en er volgde een contract om een jaargang lang één strippagina per week te publiceren in Focus Knack.



Bruni Mortier