dinsdag 30 april 2013

Historiek van het Aquarelinstituut van België

Sinds vijfendertig jaar worden in Mol jaarlijks aquarelsalons georganiseerd door een vereniging die zich in de beginjaren Kempisch Aquarelinstituut noemde, maar die later haar naam wijzigde in Aquarelinstituut van België. De eerste samenkomst van deze groep enthousiaste schilders situeren we in 1976. In dat jaar stelt Gaston Craps zijn aquarellen tentoon in de zaal ‘Oude Post’ in Mol. In 1977 volgt Piet Van Leuven met zijn werken. In enkele lijnen en een subtiel spel van kleurvervloeiing creëert hij het typische beeld van de Antwerpse Kempen. Het succes van deze twee tentoonstellingen werkt als een katalysator voor de schilders-aquarellisten uit de streek die elkaar beter leren kennen. Het eerherstel van de aquarel was begonnen. Naar aanleiding van deze tentoonstellingen komen zeven aquarellisten uit de omgeving samen om een groepstentoonstelling voor te bereiden. Het zijn Jean Challe, Swa Claes, Gaston Craps, Marc Devos, Ann Dudley, René Masquelier en Piet Van Leuven. Hun project wordt gesteund door verschillende culturele instanties die de organisatie op zich nemen. Dit wordt het begin van het ‘Kempisch Aquarelsalon’ in 1978. Een vijftigtal aquarellen worden getoond, overwegend landschappen. Sindsdien, gesteund door het succes en het enthousiasme van de initiatiefnemers maar ook door de sympathie van de culturele instanties, is Mol een actief aquarelcentrum geworden met als jaarlijks orgelpunt het Aquarelsalon. Door de toenemende nood aan ontplooiing werd het vijfde Salon uitgebreid tot een Aquarelfestival - het eerste in zijn soort - met zes gelijktijdige tentoonstellingen, respectievelijk in de Oude Post, Studio 14 , Klim-op, in de salons van J. Vandervoort en in het Jakob Smitsmuseum, waar het vijfde Salon plaats vond. Dertig aquarellisten nemen deel aan dit evenement, onder wie Willy Vandersteen, tekenaar van de stripverhalen ‘Suske en Wiske’. Bezoekers uit België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland reageren enthousiast. Dit succes heeft de initiatiefnemers ertoe aangemoedigd om de vier of vijf jaar een gelijkaardig evenement op te zetten. Dus volgden Mol-1987, Mol-1993, Mol-1998, Antwerpen-2001 en Antwerpen-2005, alle onder de noemer “Internationaal Aquarelfestival” met een groeiende aanwezigheid van kunstenaars en internationale groeperingen. Uit het grote succes van deze tentoonstellingen bleek dat er behoefte bestond aan een meer gestructureerde organisatie. In het spoor van het eerste Festival ontstaat de “Kempische Aquarelvereniging” met als stichtende leden Swa Claes (secretaris), Gaston Craps (voorzitter), Rik Hoydonckx, Léon Leenders(Mol), Bert Nuyts (schatbewaarder), Xavier Swolfs, Frans Van Gompel en Piet Van Leuven. De doelstelling van deze vereniging waren: de aquareltechniek stimuleren voornamelijk door het organiseren van workshops, bezoeken van tentoonstellingen en musea in België en het buitenland, de aquarel bekend maken bij een breed publiek en last but not least de aquarel erkennen als volwaardig picturaal medium Op korte tijd groeit het ledenaantal van 20 naar 200 en de vereniging verwierf een aanzienlijk renommee in België en Nederland. In 1984 werden de eerste workshops georganiseerd. De ochtendnevel en de herfstkleuren van het natuurreservaat ‘de Maat’ in het noorden van Mol boden een ideale locatie om een eerste openlucht-workshop in te richten. De zes aanwezige pioniers hebben hun stempel gedrukt op een activiteit die intussen een stevige traditie geworden is. Op deze workshops zijn er geen leerlingen, noch meesters. Het gaat om het kunnen, met vallen en opstaan, van ieder die er deel van uitmaakt, zodat ieder zonder beïnvloeding van een leraar op eigen tempo vorderingen kan maken. Van dan af worden jaarlijks naargelang van de omstandigheden vier workshops ingericht met telkens 60 tot 90 deelnemers. Weldra laat zich de nood aan een structuur voelen zodat in 1988 een workshopcomité wordt opgericht onder leiding van opeenvolgend Marc Taets, Liliane Vandenberk en Joost Richaerts. Door het groeiend aantal leden en de toenemende activiteiten ontstaat de behoefte aan een meer systematische wederzijdse communicatie tussen de comités en de leden. Hieruit groeit het driemaandelijks blad ‘Aquarelinfo’, waarvan in december 1985 het proefnummer verschijnt. In het begin telt het blad acht bladzijden, omslag inbegrepen. Het is gemaakt van gefotokopieerde collages en met de hand geschreven teksten. Dit tijdschrift komt echter vlug op kruissnelheid. Tegenwoordig telt het zestig bladzijden met niet alleen informatie en teksten maar ook met kleurenillustraties. Het wordt samengesteld door een redactieraad onder de leiding van Bruni Mortier en het wordt professioneel gedrukt en verspreid onder de betalende leden. Gezien de uitgebreidheid van de activiteiten, de mogelijke risico’s en kosten , kon de Kempische Aquarelvereniging niet verder zonder een juridisch statuut. Dat wordt opgesteld volgens de reglementen en de naam van de vereniging wordt aangepast. In 1989 verschijnen de statuten in het Belgisch Staatsblad en de officiële naam is dan “Kempsiche Aquarelvereniging”. De administrateurs zijn Swa Claes (voorzitter), Paul de Smet, Rik Hoydonckx, Swat Janssens, Léon Leenders (Mol), Léon Leenders (Antwerpen), Bert Nuyts (penningmeester), Xaveri Swolfs, Marcel Vanderzanden (secretaris) en Frans Van Gompel. In 1999 wordt de Kempische Aquarelvereniging omgevormd tot het Aquarelinstituut van België. Ten gevolge van een nieuwe wet op de verenigingen worden de statuten aangepast. Het is een gelegenheid om een stand van zaken op te maken en vast te stellen dat de vereniging op een meer professionele en internationale basis werkt. Om lid te worden moet men zich kandidaat stellen en een gunstig advies krijgen op basis van de voorgelegde werken Jaarlijks worden de werken voor de Salons geselecteerd door een professionele jury. Om beter te beantwoorden aan de externe sollicitaties en om zowel de aquarel als de vereniging meer te promoten, wordt een groepering van kernleden opgericht. Deze leden worden tot de groep toegalten op basis van een vereist aantal selecties voor de Salons. De Festivals bieden de gelegenheid niet alleen professionele aquarellisten maar ook buitenlandse verenigingen te ontmoeten zodat een netwerk van internationale relaties ontstaat. Hoewel de Antwerpse Kempen met zijn ‘Lake District’ de bakermat van de vereniging is, zal de bekendheid verder groeien onder de naam Aquarelinstituut van België (AIB). Na een verloop van vijfendertig jaar zijn de Aquarelsalons van Mol een stuwende kracht voor de creativiteit van de aquarellisten uit de Kempen en ver daarbuiten. Tegenwoordig heeft deze vereniging een nationale en internationale uitstraling. Dit is voor een deel te danken aan het susses van de ECWS, European Confederation of Watercolour Societies, die door AIB werd opgericht en die nu leden uit heel Europa telt. Wie van de pioniers uit 1978 had kunnen dromen van een dergelijke evolutie? Zoals de leuze van ons land ‘eendracht maakt macht’ luidt, zo hebben wij dank zij de samenwerking en de creativiteit van velen, een mooie bladzijde aquarelgeschiedenis geschreven. De oude droom over de opwaardering van de aquarelkunst wordt hiermee gerealiseerd! Swa Claes Bruni Mortier

Portretten van Siegfried Woldhek Met kritisch oog en scherpe pen

Wie op het Internet op zoek gaat naar schrijversportretten belandt al gauw op de website van Siegfried Woldhek, waar meer dan 1000 tekeningen te zien zijn van de ‘beste satirische tekenaar van Nederland’, zoals Wim de Bie hem noemt. Woldhek kent de Nederlandse en Vlaamse schrijvers door en door en dat merkt men aan de treffende details, de grappige uitvergrotingen en de liefde waarmee de portretten getekend of gepenseeld worden. Coryfeeën als Gerrit Komrij, W.F. Hermans , Jeroen Brouwers, Jan Wolkers of Connie Palmen worden met haarscherpe pen en zwierig elan op het blad neergezet. Sinds 1976 publiceert Woldhek zijn schrijversportretten o.a. in Vrij Nederland en in 2003 verscheen bij de Bezige Bij ‘Knetterende letteren’, een bundeling van 200 getekende schrijversportretten waarin hij zowel het leven als het werk van auteurs haarscherp weet weer te geven. In het portret van Herman de Coninck herkennen we de droeve ogen van de dichter die met een melancholische blik naar de wereld keek en het grote voorhoofd waarachter zich de mooiste beelden tot een snoer van verzen regen. Remco Campert laat hij licht als een ballerina over het podium dansen en bloemen uitstrooien als vlinders om hem heen. Ook de wereldliteratuur is vertegenwoordigd in portretten van o.a. D.H.Lawrence, Charles Dickens of Franz Kafka. Naast schrijvers is Woldhek ook gefascineerd door sportmensen en politici. Sinds 1980 publiceert de NRC zijn politieke cartoons, dierentekeningen en portretten van atleten waarin kenmerkende trekken tot de essentie worden gereduceerd. Aan de vlezige lippen, de grote tanden en de zwarte hoge hoed herken je dressuurrijdster Ankie van Grunsven, in het dubbelportret van Frank en Ronald de Boer lijken de broers een Siamese tweeling die met hun onderkaken aan elkaar vast zitten. Woldhek tekent zijn karikaturen niet alleen maar gebruikt verschillende technieken; pen, potlood, aquarel, inkt en grafiek worden gehanteerd naargelang de aard van het onderwerp, de eigenaardigheden en de passies van de geportretteerden. De portretten zijn vooral een eerbetoon aan de afgebeelde figuren. Eigenaardigheden en zwakke kantjes passeren de revue maar zullen nooit gebruikt worden om mensen te kleineren of belachelijk te maken. Siegfried Woldhek is een veelzijdig man. Naast kunstenaar was hij ook directeur van Vogelbescherming Nederland en het Wereld Natuur Fonds. In 2002 stichtte hij het Nabuur-project, opgericht om dorpsgemeenschappen wereldwijd te ondersteunen en van expertise te voorzien. Lokale gemeenschappen in derdewereldlanden kunnen projecten aanmelden waarvoor ze concrete hulp kunnen gebruiken. Een grote bekommernis om mens, dier en milieu spreekt zowel uit de ecologische projecten waarvoor Woldhek zich engageert als uit zijn artistieke werk. Tussen de politieke figuren van eerste of tweede rang vinden we weldoeners terug als Moeder Theresa, Gandhi en Jane Goodall, de humanist Erasmus en filosofen als Wittgenstein.

Renaat Veris, éminence grise van de pastelschilders

Renaat Veris is een van de meest begaafde hedendaagse Belgische pastellisten en olieverfschilders. Hij munt uit in het schilderen van zelfportretten en stillevens. Voor het samenstellen van zijn ‘natures mortes’ gebruikt hij dorre takken, verwelkte bloemen en planten, dode dieren, zwammen, schedels en schelpen die qua kleur op elkaar afgestemd worden. Kleur is de beslissende factor maar Veris heeft een voorkeur voor gedempte, zachte tonen en brengt slechts hier en daar een fel kleuraccent aan. Hij is een tonalist die complementaire kleuren in alle nuances op elkaar laat inspelen. Een bepaalde kleurvlek overheerst en de rest dient om die vlek zijn grootste intensiteit te geven. Hij gebruikt oude bladen van een scheurpalet om abstracte kleurvlakken in het stilleven aan te brengen. Meestal bouwt hij een werk op in twee kleuren in alle mogelijke schakeringen die naar een hoogtepunt gedreven worden. Hij gebruikt de oude werkwijze van de grisaille of grauwschildering waarin men geen natuurlijke kleuren aanbrengt maar zich beperkt tot de weergave der dingen in alle mogelijke schakeringen van dezelfde kleur, meestal grijs of bruin. ‘Ik begin met een compositietekening, daarover komt een grisaille en die breng ik stilaan op kleur. Ik heb vooraf geen beeld in mijn hoofd. Ik vertrek van iets dat me aanspreekt en van daaruit vormt zich geleidelijk een compositie. Ik begin heel breed en tamelijk grof te schilderen en werk dan naar de verfijning toe.’ Veris houdt van de rijke verscheidenheid van grijstinten. In veel werken komt dat grijs in allerlei varianten voor. Hij vergelijkt zich met een fotograaf die zijn lens eerst wazig instelt, dan bijdraait tot het beeld in zijn volledige scherpte ontstaat. ‘Vanuit een grisaille bouw ik mijn onderwerp sterker en sterker op, laag na laag, tot ik op het einde de krachtigste accenten zet.’ Kobaltviolet zet hij dan tegen een grijs-beige achtergrond met iets oranje in de buurt dat de aandacht trekt. Vaak laat hij zijn stillevens overlopen in een landschap. De doeken die rond de voorwerpen gedrapeerd liggen vormen zich in de achtergrond geleidelijk tot een bergachtig landschap. Veris werkt soms enkele maanden aan een groot schilderij omdat hij laag voor laag schildert tot er harmonie is in het geheel en alle ritmes kloppen. Het ritme wordt vooral bepaald door zijn pointillistische manier van werken. De punten en vlekjes die het hele werk bedekken vergelijkt hij met het vallen van blaren in de herfst of het neerdwarrelen van sneeuw. ‘Als sneeuw valt, zie je kleine vlokjes in de lucht maar er vormen zich geen geometrische tekening of een lijn. Het is die heel natuurlijke dwarreling die ik over mijn werken wil aanbrengen in de vorm van toetsen die het ritme bepalen.’ Veris beschildert het volledige oppervlak van doek of paneel en laat de fijne stipjes en toetsen verder lopen over de lijst. ‘Herhaling is een van de elementen van schoonheid. De matières moeten zich herhalen zodat er een eenheid van vorm ontstaat. Alles moet trillen zoals bij van Gogh die ondanks de wemeling van de toetsen toch eenheid in het werkt creëert.’ De geometrische basisvormen komen terug in de kleinere delen zodat het geheel natuurlijk overkomt. Wanneer hij compositorisch vertrekt van een grote ovaal, laat hij de andere vormen daarin passen. Die ovaal zal regelmatig terugkeren in de andere kleurstukken. Deze verborgen structuur geeft eenheid aan het werk maar op een ongedwongen, natuurlijke manier. In zijn stillevens is de symboliek zeer belangrijk. Wanneer een bepaalde kleurencombinatie zich aan hem opdringt, zoekt hij voorwerpen die daarbij passen en die iets onthullen over de schilder zelf. Hij is een intuïtieve symbolist die door de schikking van de elementen een nieuwe werkelijkheid creëert. Een dode haas die in een driehoekscompositie centraal op het paneel staat, verwijst naar de gekruisigde Christus. Het stilleven ‘Hermes’ refereert door de vleugels van vogels aan de gevleugelde Griekse boodschapper, het mos symboliseert de eeuwigheid en de zaden verwijzen naar de cyclus van leven en vergankelijkheid. Die levenscyclus, het wentelen van de seizoenen, opkomst en verval vormen de rode draad doorheen zijn werken. Gedroogde blaren, dorre boomstronken en afval uit de natuur worden door de schildershand in een dynamische ritmiek weer tot leven gewekt. De sfeer die over het werkt hangt ademt spiritualiteit. ‘Ik gebruik mijn eigen schildertaal om mij uit te drukken. Ik heb een religieuze inborst en voel me verwant met de Japanse boeddhistische schilderkunst maar ik vertolk diezelfde gevoelens met onderwerpen van hier. Soms is mijn composthoop zelfs een bron van inspiratie.‘

Johan Lotens: Schilderen als ‘way of life’

Met het artikel dat over hem verschijnt, gaat voor Johan Lootens een oude droom in vervulling. Als jongen van 15 jaar verkocht hij zijn eerste werkje op de Korenmarkt in Gent en sindsdien is hij uitgegroeid tot een ervaren aquarellist die tweemaal per jaar in het oude centrum van Brugge 150 werken exposeert. Schilderen is de essentie van zijn leven. Brugge is in België dé stad die jaarlijks overspoeld wordt door 7 miljoen kunst-toeristen die respect hebben voor tradities en die graag binnenlopen in de zaal van de oude Huisbrouwerij waar Johan exposeert. Naast de bekende zichten van Brugge met zijn historische gebouwen, het Minnewater en de achterafstraatjes schildert hij ook interieurs en caféscènes waar op regenachtige dagen de klanten hun toevlucht zoeken. Maar hij is ook gefascineerd door Thailand waar hij de stilte van het warme strand op papier vastlegt of de drukte in de straten van de hoofdstad. Van op een bootje op de Chao Phraya rivier in Bangkok brengt hij de geuren en kleuren van de omgeving op zijn blad over. Sfeer en suggestie zijn de sleutelwoorden in zijn werk. Lootens is een klassieke schilder die vertrekt van een tekening en oog heeft voor de typische kleine details die een werk charme geven. Op katoenpapier van Arches (300gr) brengt hij de tekening aan met een pen met glasvezelpunt. Daarmee kan hij gelijkmatig inkt toevoeren. De druk van zijn hand bepaalt of hij zeer fijne lijntjes zet of centimeter dikke lijnen. Met het gebruik van pen en wash gaat hij terug naar de oorsprong van de aquarel. “De pen heeft iets spontaans, los en soepels. Je kan er accenten en contrasten mee aanbrengen. Het zijn leesbare lijnen. Gecombineerd met de katoenstructuur van het papier geeft dat een mooi effect. Gevoeligheden kunnen beter weergegeven worden.” Voorlopers van Turner gingen op dezelfde manier te werk. Soms zet hij in een spontane ingeving met die pen een tekst op het werk. Lootens is een pure aquarellist maar brengt hier en daar een accent aan in Chinese inkt. Hij werkt op droog papier en schildert van boven naar beneden, van links naar rechts en laat alles in elkaar overlopen. Door nat-in-nat te werken krijgt hij meer sfeer op het blad. Het roodbruine van een muur laat hij overlopen in het blauwe van de lucht waardoor een wazigheid ontstaat die zachtheid in het werk brengt. Lootens hecht veel belang aan suggestiviteit. In een tweede fase laat hij alles drogen, dan start hij weer van boven naar omlaag en zet hij waar nodig nog een vlak extra. Als derde fase wordt de helft in de schaduw gezet, de andere helft in het licht. Lootens is een buitenschilder die de nuances van licht en kleur aan den lijve wil ondervinden. “Ik verlang direct contact met mijn onderwerp. Dan pas zie je alle details, alle kleurnuances. Op een foto is gras egaal groen maar in de realiteit is het een wirwar van gelen en groenen. De werkelijkheid is veel rijker en gevarieerder dan om het even welke afbeelding. Ik overdrijf graag inkleuren en flirt zelfs met het kitscherige. Mijn handelsmerk is paars. Die kleur in al zijn fijne schakeringen verveelt mij nooit.” Zijn grote voorbeelden zijn de Amerikaanse aquarellisten Winslow Homer en John Singer Sargent. “De denkwijze van Sargent is onbereikbaar. Hij was minstens even geniaal als Van Dyck”. Van de hedendaagse schilders bewondert hij vooral Charles Reid met zijn ‘natural way to paint’, Alvaro Castagnet die ook overdrijft in zijn kleuren en een zeer emotionele schilder is en zelfs Gottfried Salzmann hoewel die volgens hem te veel naar het abstracte neigt. De kunst van Lootens is immers een romantische kunst. “Ik ben een schilder van oude stenen, bruggetjes, het leven en de menselijkheid, het verval. Ik ben niet de man van de abstracte driehoek.” In de grote voorbeelden maar ook in collega-schilders als Guy Gruwier bewondert hij vooral de meesterlijke techniek, de professionele houding en de passie. “Grote kwaliteitsschilders zijn zeldzaam maar in onze Lage Landen zijn er per vierkante meter de meeste te vinden. Dat ligt aan ons klimaat, onze traditie en cultuur.” Omdat Lootens les geeft aan de Sint-Lucas kunstschool in Gent waar hij tien jaar kunst studeerde, vraag ik hem of de aquarelkunst nog aan bod komt in de huidige leerplannen. Hij is het ermee eens dat aquarel stiefmoederlijk behandeld wordt. In de bezuinigingswoede die er nu heerst worden richtingen afgebouwd en hier en daar ‘ziet men aquarel nog door de vingers’. “Jonge mensen vinden aquarel doorgaans niet hip, het is iets voor pralines-etende, koffiedrinkende vrouwen. Maar voor mij is het belangrijk dat er aandacht is voor mijn werk. Ik hoef niet in een museum terecht te komen waar mijn werk in de kelders wordt opgeborgen. Ik wil dat mijn werk leeft bij de mensen en bij hen vind ik de waardering waarvoor ik het uiteindelijk doe.”

De stem van de steen in de werken van Simonne de Visscher

In een kunstgalerij in de Belgische badplaats Knokke ontmoet ik Simonne De Visscher en haar man Raf. Aan de wanden van de galerij hangen de olieverfwerken van Simonne die een synthese vormen van haar kunstenaarsloopbaan: weelderig groene impressionistische natuurtaferelen zoals Monet die schilderde van zijn vijvers en waterlelies in Giverny, enkele vrouwelijke naaktfiguren en werken uit haar recente periode die zij zelf ‘het stenen tijdperk’ noemt. Sinds 1968, toen Simonne De Visscher voor het eerst stenen tot onderwerp van haar werken maakte, heeft dit thema haar niet meer losgelaten. Van de blauwgrijze keien op het strand in Kreta over de ruige rotsen in de Cévennen of de hobbelige bodem van een bergrivier in Turkije, telkens is het de rode draad van het stenen landschap dat in haar werken terugkeert. De oorsprong van haar fascinatie voor stenen ligt in de reizen die zij met haar man maakte doorheen Europa, later in het Verre Oosten of in de VS.Wat haar aantrekt, is vooral het ongerepte in het landschap en het rijke kleurenpalet dat in de verschillende steensoorten is terug te vinden. De laatste tijd zijn het de natuurparken in de VS die haar lokken. De confrontatie met deze eindeloze natuurpracht en -variëteit heeft haar kleurenpalet beïnvloed. Daar vond ze de warme oranje-bruine of okeren kleuren van de woestijn of van de parken in Yellowstone, Bryce Canyon of Arches. Het zijn niet de grote natuurparken als Grand Canyon of Monument Valley diezij opzoekt, maar de schoonheid van een kleine plek waar zij dicht bij haar onderwerp kan zitten en minutieus elke groef of oneffenheid in het oppervlak kan weergeven. Pleinairisme Simonne is een pleinairist die midden in haar onderwerp wil zitten. Thuis bereidt ze haar doeken voor en brengt ze lagen aan zoals bij het marmeren gebeurt: een techniek waarmee kleurig papier gemaakt wordt, door er patronen van olieverf op aan te brengen. Ter plekke zet ze het motief op het doek, bijvoorbeeld de barstjes, puntjes en putjes die de tijd in de verweerde steen heeft geslepen. Die oneffenheden maken de geest en het karakter van de steen uit. Zij zullen mee de compositie van het werk bepalen. In Petrified Forest vond de kunstenares inspiratie in het versteende hout. In dat fossiel hout, zijn alle organische materialen vervangen door mineralen zoals kwarts, met behoud van de structuur van het hout. Door wind- en watererosie kwamen deze versteende boomstammen weer aan de oppervlakte en zij bieden nu een aantrekkelijk schouwspel van fossiele gesteenten of mineralen die kleur geven aan het versteende hout. Het ruwe van de steen en de transparantie van de kristallen herkennen we in werken als ‘Souvenir of Crystal’ en ‘Fragility’. Het spel van water en licht speelt ook een belangrijke rol. Water biedt in combinatie met stenen talloze mogelijkheden. Rotsachtige kusten, neerdonderende watervallen langs een steile bergwand of het zeewater dat over een pier spoelt, het zijn telkens aanleidingen om de steen van binnenuit te leren kennen en de sfeer van die plaats op dat moment van de dag weer te geven. En dan is er de zon die haar wisselende spel speelt en variaties van licht en donker over de stenen uitstrooit. Natuurlijk zijn sfeer en emotie niet weg te denken uit deze werken. Zij liggen aan de basis van elk kunstwerk. Ronde schilderijen Om de verbondenheid met de natuur zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen, geeft Simonne soms een ronde vorm aan haar schilderijen van versteende boomdoorsnedes met een gekristalliseerde kern. Rond het doek wordt een houten ring aangebracht waarop ze een pasta op basis van marmerpoeder zet. Zo ontstaan haar ‘Petrified dreams’ die op een voetstuk geplaatst, als een stenen sculptuur in de ruimte staan. Het lijken echte boomschijven maar toch heeft de hand van de kunstenares ze vorm gegeven. Door een detail uit te vergroten, elementen weg te laten of te overdrijven wordt de natuur een stuk van haar persoonlijkheid. Op het eerste gezicht lijken deze werken abstract maar daar is Simonne het niet mee eens. Zij vindt net die werken de meest realistische omdat ze zo precies de structuur en de nerven van de steen weergeven. “Alles wat je van heel dichtbij bekijkt, wordt abstract.”, aldus de kunstenares.

Gelaagde aquarellen van Denise Hermans

Denise Hermans is als kunstenaar een autodidact. Zij heeft nooit academie gevolgd maar schilderen en tekenen zit in de familie.In 1984 is zij begonnen met aquarel en ging zij lessen volgen in het Kunstencentrum van Geroen De Bruycker in Vaalbeek. Daar ontmoette zij enkele AIB-leden uit het Leuvense die haar in contact brachten met het Aquarelinstituut van België. Van haar leraar De Bruycker leerde zij vooral werken met contrasten en grote vormen. Geen details schilderen maar heel snel en direct werken: de juiste kleur op de juiste plaats in de juiste vorm. Denise heeft leren tekenen in functie van de aquarel. “Je moet je onderwerp plaatsen op het blad en de rest moet gebeuren in aquarel. Je leert er ook zien, met je ogen half dicht zodat alleen de grote vormen overblijven.” Snel werken hield in dat je na een half uur ermee ophoudt en opnieuw begint op een ander blad. Kijken en onmiddellijk opzetten en je laten leiden door je gevoel. Stilaan is Denise van werkwijze veranderd. Het is nu vooral boeiend om de aanzet verder uit te werken. Nadenken over de dingen en hoe meer je ergens over nadenkt, hoe bewuster je het achteraf kan toepassen. Zij schildert nu in lagen en neemt meer afstand van haar onderwerp. Doorkijkjes “Ik vertrek bijvoorbeeld van een landschap maar ik blijf doorwerken op de contrasten zodat je in het werk achteraf meer kan zien dan alleen maar bomen. Er ontstaan doorkijkjes die een wereld achter het geschilderde suggereren. Ik leg geregeld mijn blad op de grond om afstand te nemen en te kijken wat er nog moet gebeuren. Zelfs mijn schetsen leg ik op de grond om te zien waar het fout zit. Het duurt vrij lang voor mijn werk af is. De verschillende laagjes moeten kunnen drogen vooraleer ik verder werk. Soms duurt het maanden eer een werk af is.Als ik het gevoel heb dat er nog iets ontbreekt, blijft het in de map zitten tot ik weet wat er nodig is om het werk af te maken. Dat kan ergens een donkere toets zijn of een transparante kleur met veel water over een gedeelte van de aquarel aangebracht.” Mooie plaatjes zijn voor Denise niet interessant, niet uitdagend genoeg. Het onderwerp moet haar in de eerste plaats aanspreken. Het is geen puur abstract schilderen en hoewel zij altijd van een onderwerp vertrekt, zal ze nooit echt realistisch-fotografisch schilderen. “Van dat voorzichtige gepriegel krijg ik de kriebels. Geef mij maar het ruwere werk. Er zijn schilders die fotografisch kunnen werken en dat bewonder ik, maar zelf kan ik het niet en ik wil het ook niet kunnen omdat het mij niet ligt.” Sober kleurgebruik Denise beperkt zich in de kleuren die zij uitkiest. “Ik heb me een tijdlang afgezet tegen die lichte kleurtjes en ben mijn aquarellen donkerder en zwaarder gaan maken door er voortdurend lagen aan toe te voegen en veel indigo te gebruiken maar ik weet dat ik daarmee moet oppassen omdat het dan niet meer transparant blijft. Intussen heeft indigo plaats gemaakt voor krachtig blauw en helder rood wat veel frisser oogt. Ik schilder maar met één borstel, en die gebruik ik volledig. Een dik penseel met een goed punt volstaat voor mij. Ik schilder niet met mijn verstand maar laat me leiden door mijn handen. Als mijn hand ergens een veeg verf wil aanbrengen, laat ik dat gebeuren.Vooraf heb ik mij natuurlijk een beeld gevormd van wat er op het papier moet komen. Eens het penseel in de hand is het vooral aanvoelen en water en verf laten werken. Inspelen op wat er op het papier gebeurt maakt dan van elke aquarel een nieuwe uitdaging.”

Aquarelsprankels

Aquarelliste Liliane Vandenberk woont in Overpelt in Belgisch-Limburg. Hoewel zij vaak reizen maakt naar verre oorden als India of China, houdt zij er meer van haar ziel en emoties te uiten in het schilderen van Kempense landschappen. Terwijl ze zich in het buitenland eerder een waarnemer voelt, slaagt ze er hier beter in de impressies van het landschap op zich te laten inwerken. Sfeer en gevoel op het blad brengen, dat is haar bedoeling met het schilderen van de bossen, plassen of parken in haar omgeving. De onderwerpen van haar werken lijken niet echt seizoensgebonden. Soms ontstaat midden in de zomer een winterlandschap omdat haar kleurkeuze bepaald wordt door de gevoelens van het moment. Uit dat kleurengamma en het palet dat ze ermee heeft samengesteld, groeit dan een landschap. Liliane werkt nat-in-nat en naargelang de vloeiingen op het blad voegt zij meer of minder pigment toe. Om de compositie te bepalen brengt ze summier een getekende aanzet aan die een houvast moet bieden bij de vlakverdeling. Met brede kwasten, zuiver water en pigment borstelt zij haar werk. Zij is een voorstander van de pure aquareltechniek maar probeert wel de nieuwe mediums uit die op de markt aangeboden worden. Het Blending Medium van Winsor &Newton mengt ze met het aquarelwater waardoor de verf minder snel opdroogt als het warm is. De verf krijgt meer tijd om in elkaar te lopen want ze wordt niet dadelijk door het blad opgeslorpt. Ossegal is een product waarmee het pigment makkelijker bindt en het verandert niets aan het aquarelkarakter van het werk. Om het pigment beter te laten uitkomen wordt soms Granulation Medium gebruikt dat een korrelig, gemarmerd effect veroorzaakt. Alleen deze hulpmiddelen gebruikt zij om te experimenteren, verder is de aquarel puur. Geen dekwit, maar uitsparingen op het blad, nooit gemengde technieken. Het zijn het water en de verf die het werk moeten maken. Als papier gebruikt zij een zware papiersoort van minimum 300gr en haar werken hebben doorgaans een groot formaat. Toch heeft Liliane zich onlangs toegelegd op het kleinere aquarelwerk toen zij gevraagd werd haar medewerking te verlenen aan de samenstelling van een haiku-boek dat met aquarellen zou geïllustreerd worden. Op inititiatief van erenotaris Seresia uit Overpelt, die een verwoed haiku-schrijver is, en met de medewerking van dichter Marius De Geest werden gedichten en aquarellen gecombineerd in een lijvig boek dat de titel kreeg “Sprankels”. Het boek wordt verkocht ten bate van de instelling Sint-Oda, een tehuis voor zwaar mentaal gehandicapte kinderen. De titel ‘Sprankels’ verwijst naar de spreekwoordelijke ‘sprankel van hoop’ maar ook naar de verfspetters die aan de basis liggen van de boekillustraties. Samen met aquarelliste Agy Claessen maakte Liliane een honderdtal aquarelletjes die passen bij de inhoud van de haiku. De gevoelens en gedachten die de dichter in de haiku uitdrukt, heeft zij figuratief weergegeven. Een sneeuwhoen op het water, bijen in een bloemkelk, meiklokjes of een donker bos passen bij de natuurervaring die aan de basis ligt van de haiku. Het tere en transparante van de aquarel geeft een meerwaarde aan de natuurervaring in het gedicht. Veel haiku’s zijn alleen maar met verfspetters geïllustreerd. Het zijn die sprankels van kleuren die tot de titel van het boek geleid hebben en die als een rode draad erdoorheen lopen. Soms is het een grote klad verf met veel kleine spetters errond, soms weer een enkele verfspat als detail eruitgehaald en als illustratie gebruikt. Omdat Liliane gewoon is op groot formaat abstraherend te werken, vergde deze illustratiemethode heel wat inspanning. “Ik moest een knop omdraaien en veel discipline opbrengen om de afbeeldingen zo juist mogelijk te maken. Een sneeuwhoen moet er echt als een sneeuwhoen uitzien met zijn specifieke kenmerken. Dat vergde heel wat research en ik ben maandenlang met dit project bezig geweest.” Maar schilderen is geen opgave voor haar, het is een passie. “Ik kan niet meer zonder. Bij het aquarelleren kan je je emoties kwijt en je gedachten komen los van de dagelijkse zorgen. Kortom, het maakt je gelukkig.”